Mijn kwarteeuw bij de Consumentenbond

Begin 1980 werd ik gepolst door de Consumentenbond, die een journalistieke baan in de aanbieding had bij zijn maandblad Consumentengids. Het zijn pittige onderhandelingen geweest, lees ik in de briefwisseling die nog bewaard is gebleven. Ik was intussen opgeklommen tot de hoogste rangen in de journalistiek – Cao-klasse 1 Extra – en dus een dure jongen. In april van dat jaar werden we het uiteindelijk eens over een aanstelling per 1 augustus, met het perspectief om op termijn van een jaar door te groeien naar de post van hoofdredacteur. De zittende hoofdredacteur Wim Geradts zou dan opklimmen naar de functie van hoofd publicaties.

Collega Geradts hield het drie maanden na mijn komst al voor gezien, zodat ik al per 1 november 1980 tot hoofdredacteur werd benoemd. Geradts was moegestreden en ik begreep algauw waarom. Ik kwam daar in een ware slangenkuil terecht, vol stammenoorlogen, listen en lagen. De hoofdmacht bij de Consumentenbond was de afdeling Onderzoek en de onderzoekers beschouwden ons redacteuren als ondergeschikt volk wier pen volledig in dienst diende te staan van hun meesterwerken. Bij mijn aantreden trof ik een wat aangeslagen groepje redacteuren. Mijn eerste klus was dus te zorgen voor een betere positie van en herstel van zelfvertrouwen binnen de redactie. Dat leek aanvankelijk te slagen.

Matriarchaat

Even een zijstapje. De Consumentenbond was in de jaren 70 en 80 een bijna-matriarchaat. Grote baas was An Fransen, een besluitvaardige en strijdbare tante. Behalve de directie werden ook andere belangrijke afdelingen aangestuurd door een vrouw. Redactiechef was vanaf het begin tot kort voor mijn komst Mies Veenhoven en de juridische afdeling stond onder leiding van Elsemarie Dil.

Mevrouw Fransen had mij binnengehaald en ik genoot haar volle steun in de strijd om een volwaardige positie van de redactie tegenover de onderzoekshorden. Daarmee leek de strijd in het voordeel van de redactie beslecht, ware het niet dat Fransen al na korte tijd aan een fatale ziekte bezweek. De horden zagen hun kansen schoon en namen het roer weer stevig in handen. De conflicten laaiden zo hoog op dat ik besloot mijn heil elders te zoeken. Ik solliciteerde met succes naar de baan van hoofd voorlichting van de Erasmus Universiteit in Rotterdam.

Toen ik mijn vertrek aankondigde bij de Consumentenbond brak daar paniek uit. Tot in het hoofdbestuur was men in rep en roer en dat leidde tot intensieve pogingen om mij voor de organisatie te behouden. Uiteindelijk bezweek ik onder die druk, maar niet dan nadat ik op papier spijkerharde garanties had geëist en verkregen voor de onafhankelijkheid van de redactie. De baan bij de Erasmus heb ik daarop laten schieten. Ik had daar trouwens toch al wat gemengde gevoelens over omdat ik ook bij de universiteit steeds sterker een stammenstrijd was gaan vermoeden tussen de wetenschappers en de voorlichters.

Tegenvaller

De waarde van de papieren garanties bij de Consumentenbond bleek uiteindelijk in de praktijk lelijk tegen te vallen, maar er kwam toch meer bewegingsvrijheid en we kregen alle ruimte om van de Consumentengids inhoudelijk en qua presentatie een eigentijds en fris medium te maken.

Mijn eerste redactionele klus voor de bond was me nog opgedragen door An Fransen. Het ging om een onderzoek naar levensverzekeringen waarmee onderzoeker Ton de Jong al jaren doende was en dat maar niet af wilde raken. Ik moest het onderzoekmateriaal uit zijn handen zien te krijgen om daar een pakkend verhaal van te maken. Ik was tevoren al gewaarschuwd voor het hoekige karakter van De Jong en over de troep in zijn kamer. “Ton wacht nog steeds af totdat de oudpapierprijzen aantrekken,” vertelde één van zijn collega’s sarcastisch.

En inderdaad, toen ik zijn kamer betrad moest ik waden door stapels officiële prijscouranten van de effectenbeurs en andere documentatie die overal soms bijna plafondhoog stond opgetast. Op de vrije vloerruimte lagen enorme vellen ruitjespapier uitgespreid met de resultaten van De Jongs onderzoekwerk. Toen ik mij met hem over de cijfers boog groeide mijn respect voor zijn werk en mijn interesse in de uitkomsten. Er bloeide een hechte samenwerking op en dat leidde uiteindelijk tot een geruchtmakende publicatie onder de titel: “Levensverzekeringen: het schandaal van het weggegooide geld.” Ton had namelijk uitgevogeld dat levensverzekeringspolissen schandalig lage rendementen opleverden, waar verzekeraars schatrijk van werden. En bovendien had hij ontdekt dat vrouwen ook nog eens structureel slechter af waren met zo’n verzekering dan mannen.

Ondankbaar werk

Ik ben als hoofdredacteur steeds blijven schrijven naast mijn leidinggevende taak, waar ik nooit veel affiniteit mee heb gekregen. Aan de taak zat veel ondankbaar werk vast, zoals het opstellen en bewaken van budgetten, het voeren van beoordelings- en functioneringsgesprekken, het opstellen en bewaken van verbeterplannen voor disfunctionerende medewerkers, het voorzitten van redactievergaderingen en het bijwonen van het wekelijkse managementoverleg. Met de regelmaat van de klok moest ik ook brandjes blussen die tussen mijn redacteuren en hun informatieleveranciers uitbraken. Dat ging niet zelden over de onbenulligste geschillen, zoals of het nu hoortoestel was of gehoorapparaat, of het nu treefje was of treeftje.

De Consumentenbond was bij mijn aantreden gevestigd in een voormalig fabriekspand aan het Leeghwaterplein. Daar had ik in mijn tijd bij NRC Handelsblad al eens voor de poort gestaan van wat toen nog radiateurenfabriek Van Heist was. Dat bedrijf ging failliet en ik was daar nog als verslaggever actief geweest om de stemming te peilen onder het morrende werkvolk.

Nu was ik er weer terug als vaste bewoner van hetzelfde pand dat volstrekt ongeschikt was als kantoorruimte. Wind en regen hadden er vrij spel. In mijn kamer op de tweede verdieping dropen de muren van het vocht en leverde het stucwerk een ongelijke strijd tegen de schimmel. Het voorplein van het pand diende op werkdagen als parkeerplek voor Consumentenbondmedewerkers. ’s Avonds en in de weekeinden was het de afwerkplek voor de hoertjes die hun klanten oppikten langs de nabijgelegen Waldorpstraat.

Misstap

Dick Westendorp, die An Fransen als directeur was opgevolgd, kreeg het op een gegeven moment zo hoog in de bol dat hij een heel nieuw gebouw voor ons kocht aan het Enthovenplein. Uiteindelijk heeft deze onberaden investering hem de kop gekost en de bond aan de rand van de financiële afgrond gebracht. Maar hierover later. Na de verhuizing waren we allemaal maar wat blij met onze riante verblijf. Ik kreeg een kamer, afmeting balzaal, toegewezen in een zijvleugel met rondom raampartijen en een balkon. Bezoekers waren algauw een halve minuut onderweg naar mijn bureau. Aangrenzend was er nog een aparte vergaderruimte.

Hiermee vergeleken was het behelpen in ons oude onderkomen aan het Leeghwaterplein. Toch heerste daar een bijzondere sfeer die in het nieuwe pand verloren is gegaan. Er was bijvoorbeeld geen kantine, maar een ruimte waar we onze zelfmeegebrachte boterhammen konden nuttigen. Een koffieapparaat ontbrak ook. De koffie werd rondgebracht door ene Diny in een kar die je al van ver kon horen aanrammelen. Een anekdote verhaalde van een onbeantwoorde liefde van Diny voor één van de onderzoekers die ze na zijn afwijzing boycotte door demonstratief rammelend zijn kamer over te slaan.

Vrijheden

De vrijheid die de medewerkers genoten was voor hedendaagse begrippen ongekend. Onze bibliothecaris was Harry Wiersinga, een travestiet die zich Hariëtte liet noemen. Niemand die daar aanstoot aan nam. Zij schitterde op onze befaamde Consumentenbondfeesten, maar bracht ons ook nogal eens in verlegenheid. Zoals toen we na een feest richting huis reden en Harry vanaf de achterbank van de auto zo uitnodigend zwaaide naar een passerend voertuig met Marokkaanse mannen, dat die direct de achtervolging inzetten.

Alle vrijheid behielden ook de vele wan- en niet-presterende medewerkers die overal waren aangespoeld en blijven hangen bij gebrek aan ingrijpen van hogerhand. Een medewerker ontslaan was volstrekt taboe. Het eerste geval dat zich voordeed speelde zich af binnen de onze redactie: het heeft jaren van dossiervorming plus een ontslagvergoeding van twee ton gekost om afscheid te kunnen nemen van deze collega. En nog veroorzaakte dit afscheid een enorme deining binnen de organisatie. Was eerder het geklaag over het functioneren van de ontslagene niet van de lucht, toen de kogel eenmaal door de kerk was, vlogen zelfs de grootste klagers erover in de gordijnen.

Één van de vele vrijheden die de medewerkers zich permitteerden was dat menigeen zijn huisdier meenam naar het werk. Zo was mijn secretaresse Angela Kok vaak vergezeld van haar boxer. Het dier lag tijdens onze redactievergaderingen onder de tafel en deed zich tegoed aan onze schoenveters. Manusje-van-alles John Dujardin exploiteerde zelfs een complete kanariefokkerij op de binnenplaats. Aan de hele beestenboel kwam een abrupt einde door een oekaze van directeur Westendorp nadat deze in een van de gangen was aangevallen door een bouvier.

Losse zeden

De zeden waren ook aan de losse kant bij de bond. Er waren reguliere bondsstelletjes gevormd. zoals dat van koffiedame Diny met haar Henk en dat van Coby en Henk Ombelet binnen de afdeling onderzoek. Talrijker waren de buitenechtelijke combinaties, zowel incidentele als structurele. Als die contacten zich lijfelijk binnen werktijd afspeelden was dat in de bezemkast (locatie Leeghwaterplein) of in de kamer van de bedrijfsarts (locatie Enthovenplein).

Een bijzondere plek in dit verband was de testruimte van onderzoeker beeld en geluid Andreh van der Kolk. Diverse vrouwelijke collega’s zijn daar ontvangen en één van hen vertelde mij later dat de daad in het verduisterde lokaal op een keer ruw werd onderbroken toen plotseling alle tv’s in de testopstelling tegelijkertijd werden ingeschakeld. De personeelsfeesten van de bond eindigden ook niet zelden in intieme situaties; eenmaal werden twee collega’s zelfs samen gezien op de motorkap van een geparkeerde auto.

Met het aantreden van Dick Westendorp als directeur ontstond er in de organisatie een soort angstcultuur. Dick was als de dood voor een onvertogen woord in onze publicaties en zo doodsbang voor eventuele juridische gevolgen dat hij stelselmatig bij de redacties in de nek zat te hijgen. Zijn bemoeizucht strekte zich uit tot de drukproeven van elke editie. Twee andere kwelgeesten waren bondsadvocaat Wybe Taekema en “verifyer” Johan Oosting. Taekema, was het tegendeel van een juridische pitbull; eerder een risicomijdende angsthaas. Oosting, die we tegenwoordig een factchecker zouden noemen, heeft het eens zelfs gepresteerd met een al gedrukt exemplaar van de Consumentengids te komen binnenstormen om een correctie te eisen.

Buitenlandse missies

Een van de plezieriger kanten van mijn job waren mijn buitenlandse missies. De hoofdredacteuren van de consumentenorganisaties in de westerse wereld kwamen elk halfjaar bij elkaar voor een bijeenkomst die het nuttige met het aangename combineerde. Bij toerbeurt waren ik en mijn buitenlandse collega’s de uitnodigers en organisatoren. Bijzondere herinneringen bewaar ik aan een bijeenkomst in New York, waar collega Irwin Landau een etentje voor ons had geregeld in de topetage van een van de twin towers.

Een andere bijzondere missie voerde mij naar Warschau, waar een clubje idealisten een consumentenorganisatie in het leven had geroepen nadat de sovjets hun hielen hadden gelicht in Polen. Wij hadden al twintig computers hun kant op gestuurd als ontwikkelingshulp en ik werd naar Warschau afgevaardigd om ze te trainen in het opzetten van een consumentenblad. Toen ik in de Poolse hoofdstad aankwam, lagen onze computers nog onaangeroerd opgestapeld in een berghok en hadden de initiatiefnemers besloten om toch maar geen blad uit te geven. Ik heb toen mijn heil gezocht op de plaatselijke ijsbaan en vervolgens de nachttrein genomen voor een korte skivakantie op kosten van de baas in de zuidelijke wintersportplaats Zakopane.

In de jaren 90 schoof ik door naar de post van hoofd publicaties. Ik werd daarmee ook verantwoordelijk voor de overige tijdschriften en voor de prille website. In deze periode zag een serie boekuitgaven en andere losse publicaties het licht en lanceerden we ons eigen belastingaangifteprogramma, dat nog op diskette werd uitgebracht. Een initiatief om onze leden een eigen e-mailaccount aan te bieden mislukte faliekant na een conflict met provider WorldOnline aan wie we de uitvoering hadden uitbesteed.

Tweede baan

Mijn reputatie als manager was inmiddels volkomen ten onrechte zo stevig gevestigd dat ik er in die periode tijdelijk nog een tweede baan bijkreeg als trouble shooter bij de afdeling juridische ledenservice. De medewerkers daar hadden nooit geleerd zelfstandig te opereren, gedrild als zij jarenlang waren geweest door hun baas Elsemarie Dil die met haar rode pennetje elke brief te lijf ging die de deur uit moest. De werkwijze van de heren en dames juristen was ook verder hoogst inefficiënt. Ze spraken alle uitgaande correspondentie nog in op bandjes, die vervolgens door een legertje secretaresses werden uitgetikt. Toen ik de afdeling na een halfjaar weer verliet had elke jurist een eigen computer en waren de meeste secretaresses vertrokken.

Na de verhuizing van het Leeghwaterplein naar de nieuwbouw aan het Enthovenplein pakten steeds donkerder wolken zich boven de Consumentenbond samen. Aan de inkomstenkant had de ledenwerving het steeds zwaarder en aan de uitgavenkant bleek de bond zich flink te hebben vertild aan de investering in het nieuwe pand. Een tijdje is nog geprobeerd het vege lijf te redden door op steeds meer vierkante meters onderhuurders binnen te halen. Wij moesten dus inschikken totdat er voor mij nog maar een kleine kamer overbleef.

De val van directeur Westendorp maakte de weg vrij voor Felix Cohen als zijn opvolger, algauw gevolgd door het aantreden van een adjunct in de persoon van Klaske de Jonge. Klaske werd mijn directe baas. Ons werkoverleg beperkte zich meestal tot het bespreken van haar garderobe en andere vrouwendingetjes.

Achter haar trok Felix aan de touwtjes en die had vanaf het begin geen hoge pet van mij op. Het duurde niet lang of er werd een dame van buiten, Marieke van den Donk, in mijn baan geparachuteerd en mocht ik in een niche van het publicatiegebeuren een onmogelijke klus zien te klaren. Toen dit tot de voorspelbare mislukking leidde werd er een andere taak voor me gezocht in de hoop dat die mijn definitieve Waterloo zou betekenen. Ik werd de nieuwe baas van twee sukkelende afdelingen die de directe contacten met de leden onderhielden. Het ging om drie ledeninformatieteams plus de klantenservice. Ik werd niet gehinderd door enige kennis van de callcenterbusiness. Ik hield het maar op een frisse blik.

Callcenters

Ik werd ineens eindverantwoordelijk voor een afdeling met ruim 100 medewerkers, gegroepeerd in vier callcenters, aangestuurd door zeven teamleiders die aan mij rapporteerden. Merkwaardig genoeg kreeg ik algauw plezier in deze laatste grote klus bij de Consumentenbond. Er was veel werk aan de winkel, want de boel lag er nogal verwaarloosd bij. Een betere ondersteuning van de medewerkers met kennis en techniek deed wonderen en het verwijderen van enkele stoorzenders deed de rest.

Veel van het vuile werk werd afgevangen door mijn teamleiders. Hoogst zelden kwam ellende op mijn bureau terecht. Als dat gebeurde waren het vooral ontslagkwesties van disfunctionerende medewerkers, waarvan één ontslag op staande voet toen bleek dat deze collega er onder werktijd nog een eigen juridisch praktijkje op na hield. Meest opmerkelijke kwestie die op mijn bord belandde was de klacht van een vrouwelijke medewerker over een mannelijke collega die had geïnformeerd naar haar “natte doos”. Het bleek te gaan over de pizza’s die bij de werkers in de avonddienst waren bezorgd tijdens een hevige regenbui. De beklaagde hield vol dat hij met zijn vraag dus niets oneerbaars had bedoeld.

In 2005 kwam er aan mijn loopbaan bij de Consumentenbond een einde. Het was ook wel mooi geweest na 25 jaar.